Elf jaar verschil in levensduur zet pricing pensioenproducten op scherp
Onderzoekers van het Australische Actuaries Institute analyseerden gekoppelde gegevens over inkomen, burgerlijke staat, woningbezit en de sociaal-economische positie van de woonomgeving. Bij 60-jarige mannen bedraagt het verschil in resterende levensverwachting tussen de meest en minst bevoordeelde groepen 11,5 jaar; bij vrouwen 9,1 jaar. Alleenstaande mensen met een laag inkomen, zonder eigen woning en woonachtig in een achterstandswijk hebben de laagste levensverwachting. Getrouwde woningbezitters met een hoger inkomen in welvarende gebieden leven juist aanzienlijk langer. De verschillen zijn bovendien groter dan uit eerder Australisch onderzoek naar voren kwam. bridging the gap
Die kloof heeft volgens de auteurs belangrijke gevolgen voor pensioenproducten die een levenslang inkomen bieden. De prijsstelling daarvan is nu mede gebaseerd op bestaande kopers, die gemiddeld gezonder, welvarender en langer levend zijn. Voor groepen met een kortere levensverwachting kan zo’n product daardoor relatief weinig waarde bieden. Meer differentiatie naar sociaal-economische kenmerken kan pensioenproducten beter laten aansluiten bij individuele omstandigheden, maar roept tegelijkertijd vragen op over uitvoerbaarheid, regelgeving en toegankelijkheid. De studie pleit daarom niet voor één oplossing, maar voor nader onderzoek naar een pensioenaanpak waarin verschillen in levensverwachting explicieter worden meegenomen.
Dit is een samenvatting van het volledige artikel op site Actuaries Institute.