Rechter beperkt vrijheid werkgevers bij pensioenindexatie
De zaak draaide om een pensioenregeling waarin de werkgever een discretionaire bevoegdheid had om extra financiering beschikbaar te stellen voor aanvullende indexatie van pensioenen van voormalige werknemers en gepensioneerden. Door een combinatie van hoge inflatie en achterblijvende loonstijgingen liep de pensioenindexatie in de periode 2021-2024 echter aanzienlijk achter op de koopkrachtontwikkeling. Toen werknemers uiteindelijk wel een substantiële loonstijging ontvingen, profiteerden ex-werknemers daar niet van. De ondernemingsraad stelde daarom dat de werkgever zijn aanvullende bevoegdheid had moeten gebruiken om deze achterstand deels te compenseren.
De kantonrechter oordeelde dat een discretionaire bevoegdheid niet los kan worden gezien van de bedoeling van de gemaakte afspraken en de eisen van goed werkgeverschap. Hoewel de werkgever formeel handelde volgens de overeengekomen indexatieformule, leidde de uitkomst volgens de rechter tot een onevenwichtige situatie voor gepensioneerden en voormalige werknemers. Daarmee krijgt het beginsel van goed werkgeverschap een belangrijke rol bij de beoordeling van pensioenafspraken. De uitspraak onderstreept dat werkgevers niet uitsluitend naar de letter van pensioenregelingen kunnen kijken, maar ook rekening moeten houden met redelijkheid, verwachtingen en de feitelijke gevolgen voor betrokkenen. Dat kan gevolgen hebben voor toekomstige discussies over pensioenindexatie in een periode van economische onzekerheid en hoge inflatie.
Dit is een samenvatting van het volledige blog op site Dirkzwager.